Een stukje van het 37e hoofdstuk Jesús

‘Perdóname, señor, is uw naam Niello?’
‘Wat gaat jou dat aan?’ zei Niello, want hij was het die daar door Jesús werd aangesproken.
‘U en uw vrienden zijn in gevaar. Ene Anselmo heeft jullie bij mijn meester, de magistraat, verraden. Hij noemde Mateo de Niebla, beschreef uw uiterlijk en dat van een Joods meisje.’
Niello trok Jesús aan zijn arm mee. Aan de lange kant van de binnenmuur zaten een paar kinderen en een man in de schaduw van een sinaasappelboom te praten. Ze zwegen toen ze hen zagen aankomen.
‘Deze jongen komt ons waarschuwen’, zei Niello. ‘Anselmo heeft ons verlinkt bij de magistraat, hier in Córdoba. Wij lopen groot gevaar.’
‘Wij hebben niets gedaan’, riep Pablo.
‘Denk je dat ze zich daar ook maar iets van aantrekken?’ zei Niello. ‘Ze verzinnen wel een aanklacht als ze ons te pakken hebben.’
HIj wendde zich tot Jesús. ‘Jij kan onmogelijk terug.’
‘Dat wil ik ook niet’, zei Jesús heftig. ‘In de ogen van mijn meester ben ik niets waard. Hij praat over Moren alsof er geen oren aan mijn hoofd zitten. Ik mocht vanaf de eerste dag geen Arabisch meer spreken. Ik…’ Hij stikte in zijn woorden. ‘Ik heb er lang genoeg over nagedacht. Ik ga liever dood dan nog een nacht in zijn huis te moeten doorbrengen.’
‘Bij ons ben je veilig’, zei Rafael.
Estella zei niets, ze bekeek Jesús van top tot teen.
‘Wij moeten Córdoba zo snel mogelijk verlaten’, zei Mateo.

perdóname =
neem me niet kwalijk