Een stukje van het 38e hoofdstuk De Rode Leeuw

‘Rafa en ik hebben in de herberg van Isabel het verhaal over de bisschop van Astorgo gehoord’, zei Pablo. ‘We hebben ons buikpijn gelachen, hè Rafa? Hoe komt het toch dat niemand u ooit te pakken heeft gekregen?’
‘Dat is vanzelfsprekend een geheim’, zei Rafael.
De Rode Leeuw boog zijn hoofd licht naar voren. ‘Inderdaad!’ Hij keek de kring rond. ‘Kunnen jullie écht een geheim bewaren?’
Pablo, Rafael en Estella tuinden erin. ‘Tuurlijk!’
‘Ik ook’, lachte De Rode Leeuw. Hij rekte zich uit en keek naar de sterrenhemel. ‘Het wordt tijd dat ik vertrek. Wij zien elkaar terug in Sevilla. Mateo kent de schuilplaats van de Broederschap in de haven.’
Zijn gezicht werd ernstig. ‘Wees voorzichtig onderweg en op alles voorbereid. De inquisitie zal niet rusten voor ze één van ons te pakken heeft.’ Hij keek naar Mateo. ‘Ze zullen geen medelijden hebben.’ Hij stond op en floot. Melchior hinnikte.
Niello liep met hem mee en hielp om de zwarte hengst op te tuigen. Stapvoets kwam Melchior langs het vuur.
De Rode Leeuw stak groetend zijn hand op. Hij keek naar Niello en Ana. ‘Jullie zie ik binnenkort in Granada’, zei hij. ‘Als ik Aisja kom ophalen.’ Hij liet Melchior omkeren, ‘De anderen zie ik in Sevilla. Viva la Libertad!
‘Viva la Libertad’, klonk het in koor terug. Ze keken hem na zolang ze hem konden zien.
Pablo stootte Rafael aan. ‘Ik wil net zo worden als hij. Jij toch ook?’




















Viva la Libertad! =
Leve de Vrijheid!