Het 1e hoofdstuk Rafael

Het was aan het eind van de zoveelste bloedhete dag van de zomer. Door de stoffige straten van Santiago de Compostela blies geen zuchtje wind en er hing onweer in de lucht. Eethuis El Molino zat vol pelgrims, die vanuit alle windstreken naar de stad van Sint Jacobus waren gekomen. Ze zagen er vermoeid maar voldaan uit na hun lange en vaak barre reis.
Rafael liep af en aan om de pelgrims te bedienen. Met een schuin oog hield hij zijn oom in de gaten. Als hij geen slaag wilde krijgen, mocht hij het geheime teken niet missen. Zijn oom had harde handen.
Oom Eduardo was de broer van zijn vader. Rafael had zijn vader niet gekend, maar hij wist dat hij een dief was en dat het slecht met hem was afgelopen. Ze hadden hem opgehangen buiten de stadsmuren. Een jaar later stierf Rafaels moeder van verdriet en kwam hij bij oom Eduardo en zijn vrouw Marta terecht. Meer familie had hij niet.
Oom Eduardo vloekte en mepte, tante Marta krijste en schold. Rafael kon zich niet herinneren dat zij hem één keer bij zijn naam hadden genoemd. Voor hen was hij een parásito en zo noemden ze hem ook.



el molino = de molen













parásito = uitvreter