Het laatste stukje van het 2e hoofdstuk El Diablo

Rafael hield zijn adem in tot de stilte in de San Fiz terugkeerde. Wie was die man met dat vuurrode haar? Waarom was hij zo woedend op God?
‘Dat was el diablo’, hoorde hij iemand fluisteren. Geschrokken keek Rafael om. Achter hem stond een jongen van zijn eigen leeftijd.
‘El diablo?’ stamelde Rafael. Een ijskoude rilling gleed over zijn rug.
‘Dat heb je toch zelf gezien én gehoord’, antwoordde de jongen. ‘Wie anders dan de duivel durft ruzie met God te maken?’
Rafael knikte.
‘Zag je hoe verschrikkelijk lelijk hij is’, ging de jongen verder. ‘Onder die grote bos haar zitten zijn horens verstopt en die wijde mantel draagt hij om zijn staart en zijn vleugels te verbergen. Heb jij zijn bokkenpoten en zijn klauwen kunnen zien?’
Rafael schudde zijn hoofd, hij rilde. De duivel!
De jongen leek niet bang te zijn. ‘Ik heet Pablo’, zei hij. ‘En jij?’
‘Rafael.’
‘Rafael’, herhaalde Pablo, ‘een van de aartsengelen. Dan kan jij ons mooi tegen de duivel beschermen.’ Hij lachte met zijn hele gezicht. ‘Ik was hier al voor jou, om te schuilen voor het onweer. Ik heb je horen spelen.’ Hij grinnikte. ‘Je moet nog veel oefenen.’




el diablo = de duivel