Het eerste stukje van het 4e hoofdstuk Tante Marta

Pablo stond op. ‘Het is droog, denk ik.’
Rafael aarzelde, hij durfde niet uit zichzelf met de vissersjongen mee te gaan.
‘Blijf je hier zitten, Rafa?’
‘Eh, nee, natuurlijk niet!’
Rafael stond snel op en liep achter Pablo aan. Die opende de kerkdeur, het zonlicht scheen in hun gezicht. Ze stapten naar buiten.
‘Wat gaan we doen?’ vroeg Pablo. ‘Jij mag het zeggen.’
‘Ik weet het niet’, zei Rafael. ‘Ik woon eigenlijk bij mijn oom en tante. Ik ben vandaag weggelopen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Er zal niets anders opzitten dan…’ Hij onderbrak zichzelf en greep Pablo bij zijn arm. ‘Vlug, terug de kerk in voor ze me ziet’, riep hij.
‘Wie?’
‘Mijn tante!’ Rafael wees naar de hoek van het plein. Daar naderde tante Marta. Zij had de twee jongens ook ontdekt en dreigde met veel misbaar met haar pook. Een man die ze passeerde, keek haar hoofdschuddend na.
‘Te laat’, zei Rafael.
‘Ben je gek?’ riep Pablo. ‘Laten we wegrennen! Wij kunnen toch harder lopen dan dat dikke wijf?’
Rafael was verlamd van angst. Hij kon geen stap verzetten.
‘Ze slaat me verrot, Pablo’, kermde hij. ‘Ze maakt me af. Echt waar.’ Ondanks haar logge lijf kwam tante Marta snel dichterbij.
Pablo ging naast Rafael staan.
‘Daar ben je dus, Parásito!’ krijste tante. Ze was nog maar een paar stappen van de jongens vandaan. ‘Ondankbare uitvreter! Lui mormel! Waardeloze nietsnut! Vooruit, terug naar El Molino!’