Een stukje van het 5e hoofdstuk Mateo

Het groen was nog grijs van de nevel toen ze de volgende ochtend op pad gingen. Na een tijdje zagen ze, voor hen in de verte, twee gestalten opdoemen. Toen ze dichterbij kwamen, bleken het een marskramer en zijn ezel te zijn. De man droeg een rieten korf op zijn rug. Het dier had aan weerskanten twee grote kisten en een klein kistje boven op zijn rug. ‘Een oprecht goede morgen, compañero’s’, groette de marskramer die was blijven staan en met een zwierige buiging zijn vilten hoed afnam. Hij was klein van stuk en had een vriendelijk gezicht. De jongens keken nieuwsgierig naar zijn vest met zilveren knopen dat aan de randen was afgezet met een rode bies. De brede sjerp om zijn middel had dezelfde kleur. Verder had hij een pofbroek aan en laarzen. Over zijn schouder droerg hij een luit, versierd met linten in allerlei kleuren. ‘Laat mij jullie begroeten met een copla’, sprak hij plechtig.

‘Tegen de helling, tegen de helling
Zal nooit een stroom naar boven springen;
Neer langs de helling, neer langs de helling,
Zo is de loop der dingen.’

De ezel balkte.
Imbécil, dacht Rafael.
‘Mateo de Niebla, om jullie te dienen’, zei de marskramer. ‘Mateo is de naam die ik kreeg van mijn vader en moeder en Niebla de stad in Andalusië waar ik het levenslicht zag. Waar gaan jullie heen, als ik vragen mag? En wat belangrijker is, waar komen jullie vandaan?’















copla = Spaans
volksliedje van drie
tot vijf regels




imbécil = oen