Het laatste stukje van het 16e hoofdstuk Niello

De gitano prikte een stuk vlees aan zijn mes en legde het op een boomblad. Hij verdeelde het in vieren en stak hen een voor een zijn mes toe waaraan een reep gebraden vlees zat. Ze lieten het van de ene hand in de andere glijden en bliezen erover om het af te laten koelen.
Dios mio!’, vloekte Pablo en liet het hete vlees uit zijn mond vallen.
De jongen grijnsde. Al kauwend verdeelde hij een volgend stuk vlees in vieren. Niemand sprak een woord totdat alles op was.
‘Lekker mals’, zei Rafael. ‘Was zeker speenvarken?’ Dat had hij vaak geroken en een paar keer stiekem geproefd in El Molino.
‘Egel’, antwoordde de jongen.
Rafael slikte moeilijk. Onwillekeurig voelde hij aan zijn keel.
‘Gebakken in een klomp klei’, ging de jongen verder. Hij wees naar een paar brokstukken waaruit lange stekels staken. ‘Als het gaar is sla je de klomp stuk. Stekels en huid blijven achter in de klei.’
‘Het smaakte heerlijk’, zei Estella. ‘Bedankt dat je het vlees met ons wilde delen en dat we onze spullen mogen drogen bij je vuur.’
‘Ja, bedankt’, zei Pablo joviaal. ‘Jij hebt ons van de hongerdood gered. Duizendmaal dank, amigo!’
Er zat iets dreigends in de manier waarop de gitano overeind kwam en wijdbeens voor Pablo ging staan. ‘Noem iemand geen vriend als je hem niet kent’, zei hij. Zijn stem klonk kortaf. ‘Mijn naam is Niello. Wat moeten jullie hier?’

gitano = zigeuner




dios mio!= mijn god!