Een stukje van het 30e hoofdstuk Niña

Een klein meisje zat snikkend naast het karrenspoor. In haar armen hield ze een grote, zwarte kat geklemd die haar ontglipte toen hij Niello en Estella zag. Het dier slaakte een rauwe kreet en sloop hen dreigend tegemoet. Zijn staart stond gezwollen overeind, zijn oren lagen plat in zijn nek en hij blies vervaarlijk.
‘Pas op! Dat is een wilde kat. Hij wil ons bespringen, dat zie je zo’, zei Anselmo. ‘En een kat betekent niet veel goeds. Zeker niet een zwarte.’
‘Hou je mond’, siste Niello.
‘We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn’, fluisterde Anselmo.
‘Estella, ga jij naar het kind’, zei Niello. ‘Ik neem de kat voor mijn rekening. Anselmo, geef me je mantel.’
‘Mijn mooie mantel?’
‘Geef op.’
‘Alleen als je dat ondier meteen morsdood knuppelt.’
Estella sloop om de kat heen naar het kind.
Niello gooide met een zwaai de mantel van Anselmo over de heftig miauwende kat heen en liet zich op de mantel vallen. Zijn handen sloten om de hevig bewegende bobbel. ‘Rustig maar, rustig’, prevelde hij tot de mantel stil werd.
‘Ik hoop dat hij dat monster heeft gewurgd’, zei Anselmo.
Estella tilde het meisje op en liep naar Niello. ‘Hoe heet jouw kat?’ vroeg ze.
‘Fe-li-ci-a’, snikte het kind.
‘En jij?’
‘Ni-ña.’